»

Diversiteit binnen soorten

VissiesIn het aquatisch onderzoek kan het soms van belang zijn een haplotype bepaling uit te voeren op een bepaalde soort. Bij het aanvullen van een populatie is het belangrijk dat de geïntroduceerde organismen van dezelfde genetische lijn (haplotype) zijn als de aanwezige natuurlijke populatie. Bij introductie van een ander haplotype dan de aanwezige kunnen er genetische varianten geïntroduceerd worden, die niet goed aangepast zijn aan de lokale omstandigheden. Het aanvullen van de populatie zal dan een verspilling zijn van tijd en geld. De geïntroduceerde individuen zullen zich dan niet kunnen vestigen in hun nieuwe leefomgeving en het dan ook niet overleven. Een andere mogelijkheid is dat de geïntroduceerde organismen deels gaan inkruisen in de aanwezige populatie, waardoor deze eveneens verzwakt wordt. Het tegenovergestelde kan ook het geval zijn, waarbij er een te sterke populatie ontstaat door de verhoogde genetische diversiteit binnen de soort. De (hybride)populatie zal dan als geheel andere soorten kunnen wegconcurreren. Beide situaties zijn onwenselijk en daarom is het van belang om bij aanvullen van een bestaande populatie, genetisch identieke populaties te introduceren.

De “traditionele” manier van haplotype bepaling begint met het vangen van een aantal individuen van de natuurlijke populatie. Vervolgens wordt er DNA afgenomen en geanalyseerd op haplotype. Door gebruik te maken van de eDNA techniek volstaan watermonsters om de haplotype bepaling uit te kunnen voeren. De grote voordelen van deze eDNA haplotype bepalingen zijn:

  • tijd en kostenbesparing, omdat er niets gevangen hoeft te worden
  • grotere trefkans dan traditionele vangstmethoden (gevoeligheid eDNA is onovertroffen)
  • geen seizoensafhankelijkheid van plantengroei die vangstmogelijkheden bepalen
  • niet invasief