eDNA

eDNAElke lichaamscel van een organisme bevat genetisch materiaal in de vorm van DNA. Organismen die in een aquatisch milieu leven of er tijdelijk in verblijven laten celmateriaal achter in dit milieu. Dit celmateriaal kan bestaan uit b.v. huidschilfers, slijm, uitwerpselen met darmepiteelcellen of individuele cellen. In aquatische milieus wordt dit celmateriaal relatief makkelijk verspreid. In een watermonster zullen dus cellen worden aangetroffen van de organismen die  in het bemonsterde waterlichaam voorkomen. Het DNA geïsoleerd uit deze cellen wordt eDNA genoemd en is een goede afspiegeling van de soortensamenstelling in een bepaald milieu. eDNA technologie biedt dus de mogelijkheid om organismen in het waterwaterlichaam aan te tonen zonder deze visueel waar te hoeven nemen of te vangen.

Bij de tradionele methode om te bepalen tot welke soort een bepaald organisme behoord (determinatie), werd er gekeken naar specifieke (uiterlijke) kenmerken van een organisme. Gedacht kan worden aan, grootte, lichaamsbedekking, manier van voortbewegen, voedselkeuze en gedrag. Met deze systematiek  is elk organisme in te delen bij een bepaalde soort. Deze methode is echter tijdrovend en niet altijd even betrouwbaar.  Voor deze identificatiemethode moet het organisme in ieder geval visueel worden waargenomen en in de meeste gevallen zelfs worden gevangen. Het verschil tussen soorten is soms erg klein zodat niet met zekerheid bepaald kan worden welke soort het betreft. Het gebruik van eDNA technologie biedt een oplossing voor deze problemen. eDNA is uniek voor een soort waardoor deze methodiek een eenduidige identificatie van een soort geeft.  Daarnaast is deze techniek een stuk minder arbeidsintensief dan de traditionele methodes die meestal ook invasief zijn en de rust in een ecosysteem kunnen verstoren.

In het genetische materiaal (DNA) van elk organisme staat beschreven welke kenmerken een bepaald organisme bezit. Door deze koppeling tussen de kenmerken en het DNA kan er een indeling van soorten in families en klassen worden gemaakt. Hierin staat aangeven welke organismen in de evolutie een gemeenschappelijke voorouder hadden en dus familie van elkaar zijn. Deze fylogenetische bomen worden opgesteld door de DNA volgorde van verschillende organismen met elkaar te vergelijken. De meest op elkaar lijkende soorten zullen dan naast elkaar geplaatst worden in een fylogenetische boom. Deze vormen dan een familie. Met DNA kan ook bepaald worden tot welk soort of familie een organisme behoord.